BACK

Een tragisch voorval uit 1966

"Meneer C.", zei de cheffin nadat ze de documentenkamer binnen gekomen was en haastig op meneer C. toeliep.

Ik zie de situatie nog duidelijk voor me en herinner me het nog precies: het haastige spreken, de mentale druk en dwang die in de klank van haar stem lag, de collega's die van hun werk opkeken. Ze herhaalde nogmaals de aanroep en voegde er een vraag aan toe: "Meneer C, heeft u de agenda van de ambassadeur al klaar?"

Het was weer een drukke dag zoals zovele dagen druk waren. De agenda was voor de Defence Planning vergadering die om 11 uur zou beginnen. Daar had de ambassadeur de belangrijke stukken voor nodig en de daarin genoemde referentie-documenten. En C. moest die documentatie samenstellen. Dat was zijn taak. En wel op korte termijn. En hij gaf antwoord. Niet op een rustige manier, tonend dat hij de situatie meester was en de agenda ruimschoots op tijd klaar zou hebben. Nee, niet op een rustige manier, maar even haastig en onzeker als de cheffin zei hij, met iets verhoogde stem, de spanning tot uitdrukking brengend: "Ik ben er mee bezig!" Een ieder die daar toen was heeft de spanning gevoeld, maar ook de onterechte nervositeit die de uitdrukking was van de faalangst van de cheffin waarvan we zo vaak getuige waren geweest.

C. was enige maanden met verlof geweest vanwege gezondheidsproblemen. Hij was een keer op het perron van het "gare Saint Lazare" in elkaar gezakt. En ook thuis waren er wat problemen ontstaan door de werkdruk en de gezondheid.
Het verlof had hem goed gedaan en hij was al weer sinds een paar weken met goede moed aan het werk en had zijn afdeling mooi op orde. Hij had overzicht en kon elk document feilloos produceren. De cheffin had dat gezien en was tot de conclusie gekomen dat C. te weinig werk had. Er waren nog twee kasten met oude dossiers die opnieuw gecatalogiseerd dienden te worden. Dat kon C. er mooi bij hebben nu hij zijn zaken zo goed op orde had. Dat was veel werk en de nieuwe taak verstoorde zijn arbeidsrust, het was een extra belasting.

"Ik ben er mee bezig!" had hij nerveus gezegd. De collega's hoorden het. In zijn stem was de nervositeit te horen en zijn stem sloeg bijna over. Nog even en ..., maar hij vermande zich.
Ik ging naar de cheffin en vertelde wat mijn observatie was en zei: "C. werkt te hard. Kunnen we daar iets aan doen? We moeten hem helpen." Daarop zei de cheffin: "Ik werk óók heel hard." Alsof dat er toe deed. Mijn antwoord: "Natuurlijk werkt u hard. We werken allemaal hard. Daar gaat het nu niet om. Maar... kunnen we niet het werk van C. vandaag overnemen en hem ontlasten en naar huis laten gaan zodat hij zich kan ontspannen?" De cheffin: "Nee, hij moet gewoon zijn werk doen. Net zoals wij allemaal."

Het gebeurde allemaal op een woensdag in juli, in het jaar 1966, het jaar waarin de Franse president Charles de Gaulle definitief met de NATO had gebroken, in ieder geval voor wat het militaire aspect betrof. De breuk was toen al definitief. De Gaulle had het al eerder aangekondigd. Hij vond namelijk dat de NATO teveel een Amerikaanse aangelegenheid was en hij wilde nu juist een Europese defensie organisatie die niet aan de leiband van de USA liep, hij wilde bijvoorbeeld de Western European Union (WEU) als belangrijkste orgaan. Hij had per slot van rekening de "force de frappe" en hij had zegggingskracht. Frankrijk was een nucléaire mogendheid.

Om de diplomaten van dienst te kunnen zijn was er een vroege en een late dienst. De vroege dienst begon half negen en eindigde rond half vijf in de middag. De late dienst begon om half tien en eindigde om half zeven. De maandag volgend op het voorval had ik vroege dienst. Dat betekende onder andere het in ontvangst nemen van de telegrammen, deze in een logboek inschrijven en ze distribueren aan de hand van belangrijkheid en onderwerp. Een van de marechaussees die tot de bewaking van onze delegatie behoorde, was in ons kantoor aanwezig. Ook waren er nog twee collega's. Op mijn bureau rinkelde de telefoon. Ik nam op. Een gejaagde stem zei: "U heeft het zeker al gehoord over C." Ik antwoorde vragend: "Is hij weer niet goed geworden op het station?" "Welnee", zei de stem van de cheffin, "Hij is dood!".

Ik trok wit weg, kon geen woord uitbrengen, stond op en liep de lange ging in, tot aan het einde en toen weerom. Toen ik daarna de kamer in kwam en de gezichten van de collega's en van de marechaussee me vragend aankeken en kennelijk beseften dat er iets ernstigs was gebeurd, te oordelen aan de grauwe kleur van mijn gezicht, zei ik: "C. is dood".

Later werd mij verweten dat ik de cheffin aansprakelijk had gesteld voor de dood van C., dat ik haar beschuldigd had. Nee, dat heb ik niet gedaan. Maar wat ik haar wel verweet is dat we op de bewuste dag van de Defence Planning vergadering niets ondernomen hebben. - R.A.B.

BACK

Copyright 2011 Rudolf A. Bruil

REAGEER